Echt gebeurd, geen excuus

1 augustus 2009

Pijnlijke liefdesgeschiedenissen, overwonnen ziektes, moeizame relaties met ouders: allemaal autobiografisch materiaal om over te schrijven. Maar is het ook lezenswaardig? En mag je vrienden of familie ongevraagd als personage opvoeren? Vijf schrijvers over hun manier van werken.

Han Nefkens kreeg een levensbedreigende ontsteking in zijn hersenen, veroorzaakt door het hiv-virus. Hij werd ‘zo dement als een deur’, om zijn dokter te citeren. De meeste mensen overleven zo’n ontsteking niet. Nefkens wel. In zijn boek De gevlogen vogel beschrijft hij de ziektetijd en hoe hij opnieuw leerde eten, lopen, spreken, lezen en schrijven.

Waarom wilde hij juist dit verhaal vertellen? Nefkens: ‘Ik was op reis geweest naar een land waar niet veel reizigers van terug komen, daarom was het belangrijk die reis te beschrijven.’

Judith Uyterlinde had een soortgelijke motivatie om haar verhaal te vertellen: ‘Toen ik zwanger wilde worden en miskramen kreeg, wilde ik over de ervaringen van anderen lezen, maar ik vond alleen Amerikaanse ervaringsverhalen. Ik verslond ze wel, maar ergerde me aan de Amerikaans dramatische manier waarop ze verteld werden.’ Uyterlinde vermoedde dat zij niet de enige was met belangstelling voor een Nederlands ervaringsverhaal. Ze had journalistieke schrijfervaring en maakte tijdens het hele proces aantekeningen van dingen die ze meemaakte  en die haar opvielen. Uit dat materiaal kon ze later putten voor Eisprong. Na publicatie bleek er ook buiten Nederland interesse te zijn: het boek verscheen in twintig landen.

Een levenservaring is nog geen verhaal, laat staan een lezenswaardig verhaal voor een groter publiek dan je naasten. Wie schrijft voor een boekwinkelpubliek stuit op dilemma’s: wat mag verteld worden, wat moet privé blijven? Mogen feit en fictie in de blender of moeten ze strikt gescheiden worden?
Dit voorjaar organiseerde de Stichting Literaire Activiteiten Amsterdam (SLAA) een thema-avond rond het schrijven over familiegeheimen en nodigde een drietal auteurs uit over hun autobiografische boek te vertellen:

Joosje Lakmaker schrijft in het non-fictieve Voorbij de Blauwbrug. Het verhaal van mijn joodse grootvader over de verzwegen geschiedenis van haar grootvader Leman Lakmaker, die in 1942 in Auschwitz omkwam. Thuis werd niet over de oorlog gesproken. Haar vader, zoon van Leman Lakmaker, was vrijwel de enige van zijn familie die de Tweede Wereldoorlog overleefde. Hij pleegde zelfmoord in 1991, een depressie ging eraan vooraf. Lakmaker: ‘Ik was bezeten door de vraag waarom hij dat gedaan had. Was hij bang dement te worden? Of was hij alsnog oorlogsslachtoffer geworden?’ Samen met haar nichtje dook ze hun familiegeschiedenis in. Op een dag wist ze dat ze die geschiedenis niet alleen wilde vinden, maar ook opschrijven.

In Het vergeten gezicht vertelt Solange Leibovici over haar moeder, die lid was van de NSB, uiteindelijk met een Joodse man trouwde, en haar lidmaatschap altijd voor haar kinderen heeft verzwegen. ‘Ik had heel lang het gevoel dat ze meer met de NSB te maken had gehad dan ze wilde toegeven. Pas toen ze gestorven was, ben ik gaan uitzoeken wat er werkelijk was gebeurd. Als je geconfronteerd wordt met zo’n geheim wil je maar één dinge: het aan de wereld bekend maken.’

Rob van Essen schreef over de relatie met zijn vader in Het jaar waarin mijn vader stierf. ‘De bedoelingen van het boek waren altijd literair, nooit therapeutisch, al heeft het schrijven misschien wel een therapeutische werking gehad. Ik ben een beetje huiverig voor die conclusie, alsof het iets is om je voor te schamen. Wat ook weer onzin is.’

Romantische onzin

Zijn er morele grenzen, of mag je alles opschrijven over familie, vrienden en geliefden, onder het mom van de schone kunst? ‘Sommigen beschouwen het als een doodzonde wanneer je als schrijver bestaande personen ontziet’, zegt Rob van Essen. ‘Maar ik bekijk dat liever van geval tot geval, en eigenlijk vind ik die ‘doodzonde’ romantische onzin. Het uitgangspunt dat je mensen moet behandelen op de manier zoals je zelf zou willen worden behandeld, verliest niet meteen al zijn geldigheid zodra je achter je toetsenbord gaat zitten. Al moet je als schrijver niet te braaf worden.’ Van Essen wilde zowel zijn vader als zichzelf niet sparen. ‘Op het laatste moment had ik in een laffe bui een aantal aantekeningen uit het manuscript verwijderd die ik te ver vond gaan. In de tweede versie heb ik ze weer teruggeplaatst. Het ging vooral over fragmenten waarin mijn vader naar voren kwam als een man met benepen, wat zeikerige trekjes en een ongevoelige kant.’

Ook Judith Uyterlinde waarschuwt: ‘Wanneer je zelf het hoofdpersonage bent, kun je in de verleiding komen jezelf tot held te verheffen. Ik wilde óók  de lelijke kant laten zien: de jaloezie, het zelfmedelijden.”
Solange Leibovici schuwde de lelijkheid ook niet. ‘Ik heb het verval van mijn moeder beschreven zoals het was. Ik heb het niet mooier gemaakt.’

Nee, niet alles mag verteld worden, vindt Nefkens. Als intieme feiten de betrokken mensen schaden, moeten ze privé blijven. ‘Niet dat dat een probleem is, je bedenkt er gewoon een literaire oplossing voor. Wanneer feiten belangrijk zijn voor het verhaal, en je wilt met die feiten een gevoel overbrengen, zet er dan gewoon een gefictionaliseerde gebeurtenis voor in de plaats. Stel, je voelt je als kind alleen staan in je familie. Je kunt dan historisch correct vertellen dat je naar je moeder ging om te vertellen dat je gepest werd op school, en dat zij daarop antwoordde dat je gewoon moet terugpesten en dat ze nu echt geen tijd heeft want ze moet naar de kapper. Maar je kunt in plaats daarvan ook beschrijven hoe je alleen op je kamer zit met je transistorradio en met je handen op je buik omdat je daar zo’n pijn hebt. In de laatste scène  leg je de schuld niet direct bij je moeder, je laat het open zodat de lezer zijn eigen invulling kan geven. Maar het gevoel van eenzaamheid is in beide scènes hetzelfde.’

Fantaseren maar niet liegen

Het is een bekende truc van filmmakers: schrijf onder de titel gebaseerd op een waargebeurd verhaal en de kassa rinkelt. Dat is niet Uyterlindes stijl. ‘Als je een verhaal presenteert als een waargebeurd verhaal, vind ik dat je die belofte gestand moet doen. Dat dwingt het gekozen genre je. Ik wilde dat het verhaal conform de werkelijkheid was. Wel heb ik dingen gecomprimeerd, zoals de tijdsperiode waarin het verhaal zich afspeelt. Ik heb vriendinnen samengevoegd tot één personage als het niet nuttig was vijf personages op te voeren en namen veranderd, ter bescherming van bestaande personen, maar ook om zelf afstand te scheppen.’

Ook Nefkens bleef dicht bij de feiten: ‘In grote lijnen komt alles overeen met hoe het werkelijk is gebeurd, maar details zijn veranderd om beter te passen bij wat ik wilde vertellen. Ik gebruik literaire instrumenten om het autobiografische materiaal een vorm te geven, zodat het persoonlijke algemener wordt: het veranderen van de volgorde van de gebeurtenissen, het weglaten van gebeurtenissen, het combineren van details uit verschillende gebeurtenissen om er één gebeurtenis van te maken – dat kunnen waargebeurde of verzonnen details zijn -, het samenvoegen van verschillende personages, het veranderen van plaatsen en omgevingen. Zo maakte ik van twee periodes in het ziekenhuis één om de flow niet te onderbreken.’

Leibovici was in Het vergeten gezicht juist niet naar de waarheid op zoek en wilde de grens tussen autobiografie en fictie zoveel mogelijk laten vervagen. ‘Ik heb mij verdiept in de historische context van de periode waarin mijn ouders leefden, maar niet gezocht naar de waarheid of een waarheid, omdat die niet bestaat. Ik wilde integer zijn, ten opzichte van mijn vader, mijn moeder en mijzelf. Ik mocht fantaseren maar niet liegen, ik mocht bedenken maar niet vervalsen. Dit zijn verhalen, ze zijn waar en ook niet waar. Ik had geen andere verhalen kunnen vertellen, ik had alleen deze verhalen anders kunnen vertellen.’
Ook Lakmaker onderstreept het belang van fictieve elementen in een verhaal. ‘Je kunt niet bij de feiten alléén blijven. zonder verbeeldingskracht wordt het niks, dan blijft het te plat. Zo heb ik geprobeerd me voor te stellen welke emoties mensen hadden die zich los wilden maken van de SDAP, zoals mijn grootvader deed. Ik las daarvoor autobiografieën van zijn tijdgenoten.’

Geen echt dagboek

Nefkens en Uyterlinde gebruikten de ik-vorm en de onvoltooid tegenwoordige tijd om hun verhaal te vertellen. Nefkens: ‘De ik-vorm heeft beperkingen, het is moeilijker afstand te nemen van het personage en onmogelijk in de hoofden van anderen te kijken. Maar deze directe vorm paste het best bij dit zo persoonlijke verhaal.’ Uyterlinde koos om dezelfde reden voor de ik-vorm en tegenwoordige tijd, al relativeert ze: ‘In principe zou je elke vorm kunnen kiezen.’

Een andere manier van schrijven in de ik-vorm is het kiezen van een dagboekstructuur, zoals Van Essen deed. Voor Het jaar waarin mijn vader stierf gebruikte hij zijn eigen dagboekaantekeningen, opgetekend gedurende het sterfjaar van zijn vader. ‘Al moesten die wel worden geredigeerd, herordend en aangevuld. Allereerst schoof ik de dood van mijn vader een paar maanden op, van augustus naar oktober. Om de eenhied van het boek te vergroten, wilde ik at het van januari tot en met december liep. Door het aftakelingsproces van mijn vader een paar maanden later te laten beginnen, , paste zijn langzame gang naar de dood beter in een kalenderjaar. Het jaar waarin mijn vader stierf is dus geen echt dagboek. Ik heb als het zo uitkwam ook toepasselijke aantekeningen uit andere jaren gebruikt.’
Die structuur had ook nadelen: ‘Bij de samenstelling van het boek moest ik er rekening mee houden dat mijn vader in driekwart van het boek nog in leven is. Dat gegeven had invloed op de toon van de terugblikken op zijn leven die ik in het boek verwerkte; ik moest uitkijken dat ik niet over hem ging schrijven als iemand die al lang en breed gestorven was. Verder konden door de dagboekachtige structuur geen lange stukken of doorwrochte analyses in het boek worden opgenomen. De aantekeningen moesten altijd iets verkennends en voorlopigs blijven houden, zoals dat hoort in een dagboek.’ Naast de nadelen had de dagboekstructuur vooral een groot voordeel: ‘Het lijden en sterven van mijn vader werd ingebed in een groter geheel. Het ging niett alleen over hem, maar ook over mij, waardoor de relatie tussen ons bijna automatisch centraal kwam te staan.’

Meerstemmigheid en stijlcontrasten

Leibovici laat een autobiografische ik aan het woord, maar ook een verteller die regelmatig zijn plaats deelt met andere personages. ‘De verschillende stemmen kunnen hun versie op bepaalde gebeurtenissen en ervaringen geven’, motiveert ze. ‘Naast de meerstemmigheid wilde ik contrasten laten ontstaan tussen verschillende stijlen en verschillende vormen van schrijven. Zo heb ik een paar essay-achtige stukken toegevoegd waarin ik meer academisch en afstandelijk naar levens probeer te kijken. Daarin komen aspecten aan bod die op een meer verhulde manier een andere kijk bieden op bijvoorbeeld moeder-dochter relaties, of trauma en herinnering. Maar ze zijn niet heel lang en kunnen met gemak worden overgeslagen voor wie daar niet van houdt.’

Het ja-woord

In welke fase van het manuscript laat je de betrokkenen het verhaal lezen? Vooraf, of pas als het boek gepubliceerd is? Judith Uyterlinde koos ervoor haar man, moeder en de vriendin die in het boek Isabel heet, vooraf inzage te geven. ‘Maar pas op het allerlaatste moment, toen de uitgever het al gelezen had en het wilde uitgeven.’ Ze had geluk: alledrie gaven ze hun zegen. ‘Ik weet niet wat ik had moeten doen als dat niet het geval was. Ik had het verhaal niet willen afzwakken. Misschien had ik dan besloten het boek niet uit te geven.’ Behalve een boekpublicatie heeft het verhaal nog iets anders opgeleverd: een sterkere band met vriendin Isabel. ‘Ze begreep ineens wat ik allemaal had doorgemaakt.’

Ook Nefkens liet het manuscript pas enkele weken voordat het werd gedrukt aan mensen in zijn omgeving lezen. ‘Niemand heeft gevraagd iets te veranderen. Als ze dat wel hadden gedaan, had ik alleen dingen veranderd die dat wat ik wilde vertellen niet aantastten.’

Leibovici’s zus, die ook een stem krijgt in haar verhaal, las het boek pas na de drukgang. ‘Dat vond ze prima. Ze zei: “Je moet zelf weten wat je ervan maakt.” Na lezing was ze heel tevreden over het boek. En ik denk dat zelfs mijn moeder het geweldig had gevonden als ze wist dat er een boek over haar is verschenen.’

Lakmaker kreeg meer weerstand. Sinds de publicatie heeft haar nichtje het contact met haar verbroken. ‘De deur is helemaal dicht.’ Lakmakers broer en zus reageerden echter positief op het boek. Aan hen liet ze vóór publicatie het eerste hoofdstuk lezen, dat begint met de zelfmoord van hun vader. ‘Als zij zich er niet in hadden kunnen vinden, had ik het aangepast. Ik denk dat ook mijn grootvader heel blij was geweest met het boek’.

Meer over de auteurs

Rob van Essen (1963) schreef eerder de romans Reddend zwemmen, Troje, Kwade dagen, Engeland is gesloten. In 2006 kwam Het jaar waarin mijn vader stierf uit bij uitgeverij Atlas. Van Essen is daarnaast vertaler en recenseert Engelstalige literatuur voor NRC Handelsblad.

Joosje Lakmaker (1950) debuteerde in 2008 met Voorbij de Blauwbrug. Het verhaal van mijn joodse grootvader bij uitgeverij Wereldbibliotheek. Ze studeerde psychologie en Slavische talen.

Solange Leibovici (1946) is docent literatuurwetenschap, publiceerde de essaybundel Spelen dat je dood bent en de autobiografisched roman Zonsondergang over Slotervaart. In april 2009 volgde Het vergeten gezicht, bij uitgeverij De Arbeiderspers.

Han Nefkens (1954), van oorsprong journalist, debuteerde in 1995 met de semi-autobiografische roman Bloedverwanten. Daarna verscheen Twee lege stoelen, een bundel columns. De gevlogen vogel kwam in 2008 uit bij uitgeverij Atlas.

Judith Uyterlinde (1962), redacteur, journalist en literair programmamaker, werkte als redacteur bij uitgeverij De Bezige Bij en als uitgever bij Uitgeverij J.M. Meulenhoff. Haar debuut Eisprong kwam in 2001 uit bij Mets & Schilt Uitgevers.

Nog geen reacties

Reageer