Arthur Japin: ‘In Frankrijk zitten we midden in de prehistorie’

24 november 2012

EnRoute_najaar_2012Regelmatig rijdt Arthur Japin (1956) met de auto vanuit Utrecht naar zijn tweede huis in de Dordogne om te genieten van rust en natuur, en om te schrijven. Zijn beide huizen bezitten minstens zoveel verhalen als zijn romans. In Utrecht, waar dit interview plaatsvindt, is dat een verhaal over de zeventiende eeuw, terwijl zijn Franse huis midden in een gebied staat waar de prehistorie nog zichtbaar aanwezig is.

Waar voelt u zich meer thuis, in Utrecht, of in Frankrijk?
‘In huis voel ik me allebei evenzeer op mijn gemak, maar in Frankrijk voel ik me in de omgeving beter. Ik ben liever daar. Wij allemaal (partners Lex en Ben, ce) geloof ik. Het trekt enorm. Dat hadden we niet verwacht. Ons huis ligt heel afgelegen in een groot bos. De herten komen aan de keukendeur en de wilde zwijnen lopen door de tuin – helaas, want ze maken veel kapot. Het is of je daar meer deel bent van de omgeving. Het is een heel bijzondere streek, met al zijn grottekeningen. Aan het eind van ons bos is ook een grot met een aantal kleurschilderingen, die niet te bezichtigen is. Het is net of je die aanwezigheid ervaart. Voor een deel vul je dat natuurlijk zelf in, maar het feit dat daar tienduizenden jaren mensen hebben gewoond die bezig zijn geweest dingen te maken, is betoverend. Dat is ook de reden dat we daarheen gegaan zijn.’

Thuis schrijven

We zijn neergestreken op zolder. Japin schenkt thee in en zal gedurende het gesprek nauwlettend in de gaten houden of er bijgeschonken kan worden. Hij wijst naar de voorkant van het huis, de straatzijde. ‘Hier door de straat liep de Kromme Rijn, dit was de scheiding van het Romeinse rijk; aan de overkant zaten de Romeinen en hier de Barbaren. Maar je ervaart de geschiedenis hier minder dan waar we in Frankrijk zitten, het ligt niet zo aan de oppervlakte.’ De moderne stad heeft de oudste sporen inderdaad goeddeels uitgewist.
Japin spreekt op rustige toon en met zachte stem, transparant klinken zijn woorden haast. Een groot contrast met zijn boomlange postuur. Gezeten in zijn stoel heeft hij zijn lange benen nu eens onder zich gevouwen, dan weer soepel ineen gestrengeld; waaraan je iemand herkent die dans in zijn ledematen heeft zitten.
Schrijven doet Japin het liefste thuis. ‘Als ik maar een rustige plek heb. In Frankrijk is er een torenkamer, daar komt verder niemand, dat is heerlijk. Op andere plekken schrijf ik eigenlijk niet. Ik maak wel aantekeningen, maar het echte onderdompelen en dan een situatie en personages creëren en woorden maken, dat kan alleen in je eigen omgeving. Vroeger deed ik dat wel buitenshuis, maar het werkte niet goed. Er gebeurt al zoveel in je hoofd. Bij mij staat ook nooit muziek aan. Schrijven heeft op zich al met ritme te maken, dus ik moet er niks van buiten bij hebben. Als je echt diep in je werk zit kun je geluiden van buiten wel uitsluiten. Het is een raar proces. Ik moest er wel aan wennen in het begin. Zolang je in het schrijfproces zit, een aantal uren per dag, ben je niet goed aanspreekbaar. Toen ik met schrijven begon zei Lex wel eens: “Maar dat heb ik je toch al verteld? Ik heb dat al een keer gezegd”. Dat wist ik dan niet meer. Ik ben er zelfs een keer mee naar de dokter gegaan. Het was zo acuut dat ik dacht dat ik aan het dementeren was. Nu begrijp ik dat een zekere warrigheid erbij hoort.’

Frankrijk

Hoewel Japin zich in zijn hoofd terugtrekt tijdens het schrijven, laat de wereld zich niet buitensluiten. In zijn nieuwste roman, Maar buiten is het feest, duikt bijvoorbeeld een vergelijking op met iets uit de prehistorie. ‘Dat komt natuurlijk omdat we daar in Frankrijk middenin zitten. Ik had het zelf niet eens door.’

Geldt dat soms ook voor de Franse taal? Oefent die invloed uit op het schrijven?
‘Dat weet ik niet. Als ik al invloed van taal merk, dan is het van het Engels, omdat we dat thuis veel spreken en ook omdat dat een taal is die ik al spreek vanaf mijn vijfde. Vaak zeg je de dingen iets makkelijker in het Engels. Tijdens het schrijven noteer ik wel eens tijdelijk in het Engels totdat ik het Nederlandse equivalent gevonden heb. Met het Frans heb ik dat nog niet gehad. Misschien als we langer in Frankrijk verblijven, maandenlang, dat het nog gaat gebeuren, dat kan ik me wel voorstellen. We zijn er nu telkens nooit langer dan een week of twee. Over een paar jaar wordt dat anders. We werken ernaartoe om er dan grote delen van het jaar te zijn.’

‘Het genot van het huis in Frankrijk is vooral te weten dat het er is. We denken er heel veel aan en hebben het er vaak over. Wanneer ik mijn computer ’s ochtends aanzet, staat op mijn scherm wat voor weer het daar is. Maar ook het gevoel dat ik er naartoe kan als er oorlog uitbreekt en er geen benzine meer is, dat ik er dan heen kan fietsen, desnoods lopen, stelt gerust.’ Dan een relativerende lach: ‘Dat ik daar vervolgens ook niks te eten heb daar gaat het nu niet om.’

De naam Japin

Japins familienaam is afkomstig van Hugenoten, Franse protestanten uit de zestiende en zeventiende eeuw. ‘Er is mij vroeger een mooi verhaal over verteld. Twee broers werkten aan het hof en moesten tijdens de Bartholomeusnacht vluchten; de een naar Antwerpen, de ander naar Amsterdam. Dat verhaal heb ik altijd geloofd, totdat De zwarte met het witte hart uitkwam bij uitgeverij Gallimard en ik brieven begon te ontvangen uit Frankrijk. Op zeker moment kreeg ik een brief van een Japin uit Noord-Frankrijk die schreef: weet je wel waar we van afstammen? We komen van een troupe rondtrekkende toneelspelers. Dat is geloof ik niet helemaal waar, maar het verklaart wel dat een aantal mensen van mijn familie met toneel zijn bezig geweest, waaronder Jacques Japin van wie ik een stukje toneeltekst gebruikte in Een schitterend gebrek. Dat voelt als een soort verwantschap, hoewel ik verder helemaal niets heb met familie. In de negentiende eeuw is er nog een Japin die toneel schreef en mijn vader schreef hoorspelen. In die geschiedenis zit nog wel een keer een verhaal. Dus op een dag, wie weet…’

Ballet

Tijdens het schrijven van Vaslav raakte Japin in de ban van een oude liefde. Als jongetje zat hij op ballet. Eenmaal op de Theaterschool pakte hij de dans weer op. ‘Te fanatiek. Mijn heup ging slijten dus toen moest ik er weer mee ophouden. Het was nooit echt mijn droom om danser te worden, ik was er ook te groot en breed voor, dans was altijd een middel tot iets anders. Toen ik klein was, was het heel belangrijk om in een ruimte te zijn waar schoonheid is. De werkelijkheid durft niet goed naar binnen in een balletstudio, die blijft buiten.’

Door te schrijven over de danser Vaslav Nijinski kwam de dans toch weer in zijn lichaam en zijn leven. Japin begint sneller te praten en met temperamentvol stemgeluid. ‘Je gaat je weer herinneren hoe het was en hoe je stond en wat erbij hoort. En dan merk je dat dat lijf veel meer weet dan je hoofd. Ik wist de oefeningen nog wel, maar wat ik totaal vergeten was, en dat leerde dat lijf me weer, is dat er voorafgaand aan de oefening een preparatie was. Totáál vergeten, die preparatie.’ Een preparatie is een zijwaartse armbeweging op een inleidende zin van de muziek, bij aanvang van een bewegingsfrase of oefening; het kondigt de dansfrases aan die komen gaan, zoals een inademing bij het spreken. ‘Dus ben ik thuis weer gaan oefenen. Ik wilde het weer voelen.’ Zijn Franse garage bouwde hij om tot dansstudio, die nu bijna klaar is. ‘En dan eindig ik als een oud mannetje zoals ik begon, met één hand aan de barre.’

Deze maand verschijnt: Maar buiten is het feest, de nieuwe roman van Arthur Japin.

Nog geen reacties

Reageer