beeldverhaal jan/feb

De kleur van rechts

schoolbord

In schriften van de andere kinderen uit mijn klas was het vrede, maar in het mijne was elke pagina een slagveld van inkt. Op de Constantijn de Grote school, twee straten bij ons huis vandaan, leerden we schrijven met een bic; ik was zes jaar en door mijn linkshandigheid veegde mijn handpalm elk geschreven nat woord weer uit.
    Juf Joke maakte geen probleem van de vlekken maar op een dag kwam wel de directrice van de school op bezoek in de klas, en ze liep rond en keek over onze schouders mee. Bij mijn tafel bleef ze staan. Ik herinner niet meer of ze iets zei toen ze daar stond, maar het leek of ze daar seconden naar mijn smoezelige pagina stond te kijken.
    Ik wilde tegen haar zeggen: ik kan er niets aan doen, het komt door mijn hand.
    Na de zomervakantie ging ik naar een andere school. Een veel leukere school, zeiden mijn ouders. Elke ochtend moest ik een kwartier achterop de Puch van mijn vader zitten om er te komen.
    Op de leukere school wilden ze dat ik leerde schrijven met mijn rechterhand en om mij niet te vergissen moest ik tijdens het schrijven een steentje in de linker houden. Ik mocht de schrijfsteen uitzoeken uit het mandje van meester Peter. Het was het mandje waarin ook schelpen en knikkers lagen en elk kind dat de klas rond ging met een traktatie mocht er iets uit kiezen. Ik had geluk, ik was niet eens jarig.
    Het werd een carneool. Een mooie edelsteen, halfdoorschijnend roodoranje, getrommeld en daarna gladgepolijst en ongeveer zo groot als een klodder bubblegum. In de muis van je hand gevouwen werd hij langzaam warm maar niet zacht. Het fluwelen zakje waarin de steen overnachtte bewaarde ik in het vak onder mijn tafelblad.
    Schrijven met de rechterhand was moeilijk, het ging krampachtig, en ik zag dat de andere kinderen hun potlood zonder uitschieters over het papier lieten gaan. Zij maakten ronde letters, bleven op een rechte lijn en konden aanelkaar schrijven. Bij mij was alles weer hoekig en puntig als in de eerste klas. Het schrijven kostte ook meer tijd dan eerst.
    Op de leukere school mochten we vaak tekenen met waskrijt. Ik kon best goed tekenen en deed het graag, maar nu, met rechts, lukte het opeens niet meer. Als ik een kasteel tekende zakte dat scheef en een boom met zomers bladerdak werd een boom waarvan de bladeren waren aangevreten door de processierups. Mijn tekeningen oogden kinderachtig, ongecontroleerd en onhandig als van een eersteklasser. De anderen tekenden met hun rechterhand wat ze wilden; ze maakten ridders te paard, bossen met wolven en lachende zonnen.
    Na een paar maanden oefenen bleven kastelen aarzelend op hun fundamenten staan en konden mijn ridders zich te paard aansluiten bij de troepen. Zichtbaar anders waren mijn linker en rechter wereld nog wel; links had nooit oorlog gekend terwijl rechts het stof van de strijd nauwelijks van zich afgeklopt kreeg.
    De leukere school maakte zijn belofte waar toen ik zelf mocht kiezen welke hand ik gebruikte. Ik sloot de slagvelden en liet de carneool daar achter.

Cathelijne Esser